Slimline Buildings

helpt u om betere gebouwen te realiseren door toepassing van het Slimline vloerconcept. Met een ervaren team  van technische en commerciële specialisten begeleiden we u door het gehele proces, van ontwerp tot uitvoering.

Slimline Buildings levert een totaalconcept van plafond, installatieruimte en topvloer waarmee u in staat bent om effectief, efficiënt, licht en duurzaam te bouwen.

Artikel in Cobouw over adaptief bouwen

9 oktober 2013

Hoe voorkom je dat gebouwen die technisch tiptop in orde zijn functioneel volstrekt waardeloos worden? Een nieuwe bepalingsmethode moet een bouwwerk een langer en gelukkig leven geven. Een interview met Marleen Hermans van de Brink Groep die de norm vormgeeft.

Het klinkt sympathiek: zorgen dat iedereen in bouwplannen inspeelt op toekomstige marktontwikkelingen. Een gebouw als kameleon, dat van gedaante verwisselt als de omgeving van kleur verschiet. Als je naar de opzet van de bepalingsmethode kijkt, slaat je fantasie op hol: het kantoor dat je simpel kunt ‘omscholen’. Om maar te zwijgen over demontabele gebouwen die je kunt inpakken.

Dat er een bepalingsmethode komt die iets zegt over de duurzaamheid van het gebouw zelf lijkt volstrekt logisch: wat heb je aan milieuvriendelijke materialen en mooie energieprestaties als het gebouw na tien jaar leegstaat?

Toch komt de ambitie op een vreemd moment. Duizenden panden staan leeg, wachten op nieuwe functies. “Beter later dan nooit”, redeneert Hermans. “Al zijn de mogelijkheden in de bestaande bouw beperkter. Je hebt nou eenmaal te maken met bepaalde gebouwelementen.”

De bepalingsmethode kan mogelijk nieuwe leegstand helpen voorkomen. Of dienen als stok achter de deur voor veel van hetzelfde gebouw. Niet dat je alle gebouwen straks kunt vergelijkbaar op basis van hun adaptieve vermogen. Een label komt er niet. “Het ultieme toekomstbestendige gebouw bestaat niet. Je hoeft echt niet in elk gebouw te kunnen wonen. En je hoeft ook niet te weten of er in elk gebouw later een boerderij kan komen. Dan heb je voor je het weet teveel overmaat aan extra kwaliteit. Veel hangt af van de uiteindelijke vraag die de opdrachtgever stelt. Hij kan ook kiezen voor een gebouw met een kortere levensduur. Een werk in prefab beton kan ook duurzaam zijn. Zolang de levenscycluskosten van een gebouw maar goed onderbouwd zijn.”

Adaptief bouwen. Voor die term is bewust gekozen. Flexibel bouwen wekt te veel technocratische associaties op. Deze norm moet opdrachtgevers en opdrachtnemers juist lucht en inspiratie geven op het gebied van duurzaam bouwen. Het gaat om het concept, niet om de technische details: houd je rekening met de toekomstige doelgroepen? Houd je rekening met demografische ontwikkelingen. Met de locatie?”
Tegenstanders zullen claimen dat de toekomst zich niet laat voorspellen. En dat rendementvol bouwen vooral een kwestie van vraag en aanbod is. Alsof de aannemers van Amsterdamse grachtenpanden, die na honderden jaren nog steeds functioneel zijn, nagedacht hebben over adaptief bouwen.

“Nee, vast niet”, erkent Hermans. “Maar je hebt ook enorm geluk nodig met de locatie. Het is de combinatie van dingen. Een grachtenpand in het Noordoosten van het land heeft het ook moeilijk. Daar kan je qua flexibiliteit op zijn kop gaan staan, maar als er geen vraag meer is heb je er niets aan. We kunnen niet honderd jaar in de toekomst kijken. Ik heb geen glazen bol. In zekere zin is het dus ook koffiedikkijken. Bij de bepalingsmethode hoort dus ook een gevoeligheidsanalyse. We bekijken hoe we dat gaan doen.”

De nieuwe norm gaat niet alle problemen oplossen, relativeert de onderzoekster. “Maar ik denk dat dit partijen bewuster maakt. Wat voeg ik toe? Waarom denk ik dat dit gebouw toekomstwaarde heeft? Met een onderbouwd verhaal kun je ook beter terecht bij overheden en hun bestemmingsplannen. Want ook die zijn te veel dichtgetimmerd.”

Die ene vraag blijft hangen: bouwden we niet gewoon te veel? Is dit niet de pleister op de verkeerde wond? “Die conclusie haal ik niet uit ons onderzoek, omdat het daar niet op gericht is. Maar het is wel zo dat men zich nu pas realiseert dat we niet altijd even slim gebouwd hebben. We bouwden te veel van hetzelfde. Gebruikers konden in die snoepwinkel het nieuwste en het beste kiezen en hoefden niet te betalen voor wat ze achterlieten.”

Adaptief bouwen moet geen doel op zich zijn. “We moeten het doen omdat het zinvol is het hele financiële plaatje rond te krijgen op basis van integrale levenscycluskosten. Een gebouw hoeft niet honderd jaar te blijven staan. Tien jaar kan ook.” 
Over verplichte normen voor adaptief bouwen gaat het nadrukkelijk niet. Toch zou Hermans dat wel goed vinden. “Puur als onderzoeker vind ik dat de opdrachtgever gedwongen moet worden om verder te kijken dan de korte termijn. Je hoort verantwoordelijkheid te nemen voor zo’n grote investering en de milieubelasting van een gebouw.”

Dit artikel is ongewijzigd overgenomen uit de Cobouw. De auteur is Thomas van Belzen.